kwaliteitsteams 2011 -2014

De werkwijze van kwaliteitsteams is vaak een black box, er gelden geen landelijke protocollen of richtlijnen. Dat kan positief zijn maar heeft ook een keerzijde van ogenschijnlijke willekeur.

In 2014 publiceerden wij de resultaten van het onderzoek naar ruimtelijke kwaliteitsteams in Nederland. We startten dit onderzoek in 2011 vanuit nieuwsgierigheid naar de betekenis en werkwijze van deze teams. Beiden zagen we in onze werkpraktijk veel ruimtelijke kwaliteitsteams, op alle schaalniveaus en voor uiteenlopende ruimtelijke opgaven, vaak met veel gezag en rechtstreeks in contact met bestuurders. De essentie van de werkwijze van de teams ligt in het ‘onmeetbare’ gesprek. We veronderstelden dat deze teams een grote maar vaak ongeziene invloed uitoefenen op planning- en ontwerpvraagstukken in Nederland.

Het doel van het eerste onderzoek was om de black box te openen, zodat duidelijk wordt hoe en binnen welke kaders het deskundigenoordeel plaatsvindt, of dit effectief is, of en hoe het beter kan. Met het de publicatie maken we de ruimtelijke kwaliteitsteams en hun bijdrage aan the state of the art van de planning- en ontwerppraktijk, beter zichtbaar.

In het voorwoord beschrijft landschapsarchitect Dirk Sijmons, het belang van het onderzoek:

jh

Drie jaar geleden vroegen Sandra en José of ik voorzitter wilde zijn van het kwaliteitsteam dat hun onderzoek naar ruimtelijke kwaliteitsteams in Nederland zou gaan begeleiden. An offer I could not refuse. Als ervaringsdeskundige ben ik een uitgesproken voorstander van de methodiek van het deskundigenoordeel, maar door het ontbreken van onderzoek naar ruimtelijke kwaliteitsteams was het onmogelijk zicht te krijgen op de overkoepelende betekenis van deze teams. Het is een hiaat in de ruimtelijke geschiedschrijving. Ruimtelijke kwaliteitsteams waren als de ‘donkere materie’ in de ruimte, duidelijk wel werkzaam, maar ook onverklaard en een blinde vlek van het vakgebied.

Nu liggen de bevindingen van het onderzoek op tafel en ik constateer tot mijn plezier dat er een hoofdstuk aan de ruimtelijke geschiedenis is toegevoegd, goed gedocumenteerd met voorbeelden en inventarisaties. Sinds Riek Bakker in 1993 het woord kwaliteitsteam in Nederland introduceerde voor haar team voor de Kop van Zuid, zijn er minstens 139 teams opgericht. Los van de praktische aspecten (voor welke opgaven zijn ze interessant, hoe zijn ze samengesteld, hoe werken ze, wanneer zijn ze effectief) intrigeert mij vooral de culturele betekenis van de opkomst van kwaliteitsteams. Van wat voor langzame transitie zijn we getuige? Wat zien we door de oogharen als we door de Atlas van ruimtelijke kwaliteitsteams bladeren? 

De toename van deze teams valt grofweg samen met ingrijpende veranderingen in het bestuurlijke landschap, samengevat met deregulering en decentralisatie. In de afgelopen twee decennia groeide de allergie voor overheidsbemoeienis. Welstandstoezicht werd de personificatie van de betutteling. Maar de idee dat de overheid toch uiteindelijk een publieke verantwoordelijkheid heeft voor ruimtelijke kwaliteit, ging niet van tafel. En zo ontstonden in relatief korte tijd talloze nieuwe vormen voor kwaliteitsborging, naast kwaliteitsteams in verbijsterend veel varianten bijvoorbeeld ook supervisoren, ontwerpateliers of brede kwaliteitscommissies. De Atlas geeft ons zicht op de zoektocht naar kwaliteitsborging onder nieuwe omstandigheden en biedt een bijna evolutionair spreidschot van van nieuwe vormen. Niet dat we de evolutie moeten vergelijken met de pakweg twaalf decennia van ruimtelijke kwaliteitsborging in Nederland, maar toch. We kunnen het idee van een onderbroken evenwicht lenen. Soorten muteren niet of nauwelijks zolang de omgeving stabiel is. Zodra er echter grote veranderingen in de context ontstaan, zal er in relatief korte tijd veel soortvorming zijn omdat de natuur verschillende oplossingen voor een probleem test. Uiteindelijk zal de best aangepaste soort overleven in een nieuw evenwicht.

De betekenis van het onderzoek is dat het ons helpt te kijken, dat het zicht geeft op zo’n sprongetje in de ontwikkelingsgang van de kwaliteitsborging. We zien voorzichtige patronen en veel verschillen, maar het is te vroeg om het al te kunnen duiden. Het is een woest interessante ontwikkeling, waar je vanuit verschillende invalshoeken naar kunt kijken en die bijvoorbeeld een plaats verdient in het onderwijs.  Is het ontstaan van kwaliteitsteams een politieke behoefte waar het veld antwoord op geeft? Of is het een aanbod uit de vakwereld dat door de politiek wordt omarmd?  Het onderzoek maakt het mogelijk de onderliggende vragen te stellen en ik wil Sandra van Assen en José van Campen bij deze aansporen om die stuk voor stuk op te pakken en uit te werken. De cultuurpolitieke en bestuurskundige aspecten. De planologische en stedenbouwkundige mogelijkheden. Het is een mer à boire.

Tot slot de gewetensvraag: ben ik na dit onderzoek nog steeds een voorstander van kwaliteitsteams? Ja! En niet alleen de grote opgaven moeten goed worden uitgevoerd, maar ook projecten die niet iedereen raken verdienen een liefdevolle behandeling. Altijd moet er even doorgevraagd worden: wat ligt er en is dat optimaal? Heeft het toekomstwaarde? Waar zit de achilleshiel? Leent het plan zich voor onderhandeling, biedt het mogelijkheden voor anderen? Bij gedelegeerd opdrachtgeverschap en geprivatiseerd bouwtoezicht missen we de opzwepende rol van de bouwheer en de stimulerende rol van de overheid. Kwaliteitsteams kunnen dat (deels) compenseren. De praktijk van de teams speelt zich nu nog af in het professionele veld maar is zonder twijfel in staat in te spelen op de culturele onderstromen, de politieke en maatschappelijke werkelijkheid. Er liggen grote opgaven voor ons in de steden en het landschap. In mijn ogen is het een zegen dat er ergens tijdens het planproces intervisie is over de kwaliteit van het geheel. Het is geen luxe, het is in het publieke belang.

Dirk Sijmons, landschapsarchitect en voorzitter begeleidingsteam ‘Ruimtelijke kwaliteitsteams in Nederland’

April 2014